Nienke Boschmans tweeduuster

tekening

Geplaatst

Twintig jaar geleden was het dinsdag. In mijn herinnering net zo’n zonnige dag als vandaag.
Mijn herinnering aan deze dag is versplinterd als een in duizend stukjes stuk gevallen glas. De eerste splinter is de rit van het huis naar het crematorium. De lijkwagen en daarachter drie auto’s. Diny en ik in de laatste auto. Het lukte de chauffeurs om heel de rit hetzelfde tempo aan te houden, in elk geval voelde dat zo en dat was een ervaring die mij troostte. Ik begrijp nog steeds niet waarom.
Net zo min als ik nog steeds niet weet welke lied of welke compositie tijdens de herdenking in mijn hoofd klonk. Abstract, ik hoorde de klanken niet werkelijk. Ik kende de woorden van het lied niet.
Achter mij in de aula zat Diny. Dat was veilig.

Twintig jaar en zeven dagen geleden was dinsdag. Ik was in het Therapeuticum en zou daar blijven omdat er ‘s avonds een vergadering was. Ik denk van de Patiëntenkring. Misschien ben ik tussentijds met iemand een ‘hapje’ gaan eten, dat weet ik niet meer.
Om tien voor zes belde Henk. Het tijdstip heb ik in de telefoon laten staan totdat die stuk ging. Hij vertelde dat hij moe was. Hij vertelde dat M. en W. op bezoek waren geweest. Hij vertelde dat hij zijn gebit kwijt was.
Als ik het Usquerder station afliep, keek ik altijd of ik licht zag branden bij Henk in het zijkamerraam. “Als er licht brandt, is de deur los,” zei hij altijd. Dat was de deur altijd, ook als er geen licht brandde. “De deur los” betekende: dan kun je langskomen.
Er brandde geen licht. Ik ging naar huis.

Twintig jaar en zes dagen geleden, op woensdagochtend ging ik weer naar Groningen en zoals altijd in die dagen, keek ik even bij Henk om de deur. Ik wilde hem uitnodigen om de volgende dag, als het Hemelvaart was, een ‘dauwtrapontbijt’ bij mij te komen halen. De uitnodiging had ik ook op een kaartje geschreven.
Henk zat niet in zijn stoel televisie te kijken. Hij sliep dus nog. Het was stil in huis.

Twintig jaar geleden was Hemelvaart op 25 mei. Henk kwam niet om te ontbijten. Zoiets gebeurde wel vaker. Ik belde hem. Hij nam niet op. Een poosje later belde ik nog een keer. Hij nam niet op.
Ik ging naar hem toe. Ik weet welke route ik gelopen hebben, maar van sommige stukken weet ik niet meer dát ik die gelopen heb.
Toen ik de voordeur opengedaan had, zag ik de kaart liggen die ik de dag daarvoor geschreven. Het was nog stiller in huis dan de vorige ochtend.

Het was niet moeilijk om de slaapkamerdeur te openen. Ik wist het al, alleen wist ik nog niet dat ik het wist.
Ik wist het wetend toen ik hem zag liggen. Ontspannen, er was vrede en rust. Alsof hij heel fijn had liggen slapen toen zijn hart stopte met kloppen.
De rust in huis was totaal weg nadat ik 112 had gebeld. En ik was bijna dankbaar dat Henk genoeg gestorven was om niet meer gereanimeerd te worden.

Ik denk nog altijd dat Henk in de nacht van de 23e op de 24e mei gestorven is. Dat dacht ook Marijke, de uitvaartondernemer.

In de boekhouding van de inwoners van Nederland staat 25 mei 2006 als datum. “Lijkvinding” heet het daar. Dat het Hemelvaartsdag was staat er niet bij.


Geplaatst

Mijn broer, zijn vrouw, en hun twee kinderen had ik als verjaardag een kaartje voor Introdans, Larbi, gegeven. Zij wonen in Neede en Eibergen, daarom werd het een voorstelling in het Wilminktheater in Enschede, op woensdag. Ik ging dinsdag al op pad omdat ik onderweg, in Zwolle, koffie wilde drinken met mijn nicht Margreeth en dat zou qua tijd op woensdag niet kunnen als ik én koffie wilde drinken in Zwolle én buiten de spits wilde reizen én op tijd in Neede wilde zijn.
Als ik naar Neede ga reis ik de laatste twee-drie jaar via Enschede en daarvandaan met de bus naar Neede – een rit die ik heel vaak gemaakt heb, een rit die heel veel saaier geworden is. Bus rijdt nu zo snel mogelijk de stad uit, stopt niet voordat die zo ongeveer in Haaksbergen is, over een weg waar je snel mag rijden en waar niks te zien is behalve auto’s en vrachtwagens.

Toen was dat anders. Toen, de eerste keren waren in 1962. De bus hobbelde door de stad, langs een oude textielfabriek, langs huizen waarbij je iets kon fantaseren. Wat later langs links de Lasondersingel waar Joke B. woonde. Wij verbleven allebei in de herfst van 1963 in Vormingscentrum De Vonk in Noordwijkerhout – ook de 22e november, ja. Maar dat is een ander verhaal. De bus reed ook langs een plein rechts, daar moest je heen als je naar de moeder van Ukkie wilde. Ukkie was iemand uit mijn kinderjaren. Opa K. en zijn vrouw hadden haar een poosje in hun huis opgenomen. Mijn mama en papa gingen in datzelfde huis wonen, in 1946, toen ze getrouwd waren. Mijn moeder woonde daar al. Ukkie kwam af en toe op bezoek en ik heb minstens één keer bij Ukkie gelogeerd toen ik nog niet naar school ging. Ukkie’s papa was er niet meer en voor Ukkie’s mama was ik een beetje bang.
Ik heb een poosje in Enschede gewerkt en op een zonnige zomerdag was er die vrolijke chauffeur die zijn laatste werkdag had voor zijn vakantie en alle haltes omriep. Dat gebeurde anders nooit. Café het Oude haasje en een eindje verder café het Nieuwe haasje , of omgekeerd, riep hij met een bijna dansende stem.
Nadat ik in Haaksbergen gewerkt had, waren daar ook “O ja”-herinneringen. Cafetaria de Vijfhoek (die echt bij een vijfhoek stond) waar we wel eens een patatje gingen halen in de pauze. Of soep. Dat kon nét. De textielbazen Jordaan ter Weeme gaven ons precies genoeg tijd daarvoor. Uit en in de bus stappen bij de Grote Kerk. Die o ja’s zijn er nog wel, neem ik aan, maar de bus laat ze links of rechts liggen, huppekee, zo snel mogelijk over de weg waar je hard mag rijden naar Neede.
Voordat we het dorp inrijden, niet meer via de Haaksbergseweg naar via de Eibergseweg, hoe daarvoor de wegen veranderd zijn is mij nog steeds een raadsel, ik weet alleen dat ik altijd het idee heb dat de bus een grote omweg maakt, zie ik geen enkele ‘o ja’ meer. Toch jammer.

Eigenlijk haakte het heden ook helemaal niet aan een verleden. Er is eerder een tijdsgat in het breiwerk gekomen dat ik niet dicht kan mazen. Mazen heb ik nooit geleerd. Op de Lagere School kregen we wel handwerklas, op eindeloos lang durende saaie woensdagmiddagen, je mocht niet eens praten met de klasgenoot naast je in de bank. De bedoeling was wel dat je er leerde mazen. En sokken breien. De maaslap, die je eerst zelf moest breien – met katoengaren dat stijf en zwart werd van mijn vingers – heb ik nog wel afgekregen. Er was geen schooltijd meer om op die maaslap te borduren en het was ook de laat dat de juffrouw een gat in de maaslap knipte dat ik dan dicht moest mazen. We gingen van school af. Het was juni of juli 1959 geworden.


← Ouder Nieuwer →