Olabukse
Geplaatst
Lieve, beste jij,
Ik las weer eens een Noors boek, in het Noors bedoel ik. Dat gebeurt niet zo vaak meer. Iemand in dit boek droeg een ‘olabukse’, wij noem(d)en dat een spijkerbroek. En zzzoefff, opeens waren mijn gedachten bij Tanja – en daarmee waren ze ook terug in 1981 aan de Internationale Zomerschool in Oslo.
Tanja woonde en Moskou en studeerde daar Noors, en zij was uitverkoren om in Oslo naar de Zomerschool te gaan. Die is ooit opgezet voor de nazaten van naar Amerika geëmigreerde Noren. Veel lessen (of cursussen zo je wilt) werden in het Engels gegeven. Maar als je in je moeder- of vaderland Noors studeerde, was je al gauw goed genoeg voor les in het Noors. Ik weet niet meer of Tanja en ik in dezelfde taalgroep zaten, wel in de zelfde literatuurgroep.
Er was nog iemand uit Moskou, Nina. Zij werkte bij de omroep die uitzendingen in het Noors verzorgde. Het duurde even voordat ik in de gaten had dat Nina niet voor zichzelf naar de Zomerschool was gekomen – zij moest op Tanja passen zodat die in de gevaarlijke westerse wereld niet in te diepe sloten zou lopen. Tanja moest van tijd tot tijd even op Nina’s kamer komen, en Tanje en Nina moesten elke week op dinsdagochtend naar de Sovjetambassade.
(Thomas uit Amerika en Tanja vonden elkaar wel leuk en vertoefden vaker in elkaars gezelschap. Ik heb nog een poosje met Thomas gecorrespondeerd en hij schreef op een dag dat hij naar een CIA-iets moest en gevraagd werd te verklaren hoe het kon dat zijn naam voorkwam in de stukken van de Sovjetambassade in Moskou.)
Tanja was een leuke meid, vond ik, je kon met haar lachen. Ze wilde heel graag een olabukse kopen. Een echte, die waren niet verkrijgbaar in Moskou. Ik weet eigenlijk niet of het haar gelukt is. Ik zou haar met liefde de mijne gegeven hebben – maar Tanja was zowel kleiner van stuk als gezetter dan ik.
Toen de zomerschool officieel sloot, kon niet iedereen onmiddellijk naar huis. Dan mocht je nog maximaal twee nachten blijven (als ik mij goed herinner.) Zo niet Tanja en Nina. Die werden op de laatste dag in een grote, zwarte auto afgehaald. Zij “mochten” in de ambassade logeren.
We schreven nog een poosje brieven, Tanja en ik, Nina en ik. Het duurde niet zo lang, of ik kreeg geen brieven meer.
Ik zou nu wel willen weten wat er van Tanja geworden is. Ik betwijfel of Nina nog leeft – zij was toen een jaar of veertig, misschien iets ouder.